‘Als kind werd ik met mijn hartafwijking behandeld als volwassene. De intensieve begeleiding, zorg en uitleg die kinderen en ouders nu krijgen, was er toen niet.
Unieke operatie
Zijn huisarts zag dat Hans iets aan zijn hart had toen hij baby was. Maar in die tijd wachtten artsen met een hartoperatie, omdat ze vonden dat een kind eerst tijd nodig had om aan te sterken. ‘Ze hebben lang gewacht met opereren, en uiteindelijk werd het gat tussen mijn hartkamers dichtgemaakt. Zo’n open hartoperatie was in die tijd vrij bijzonder. Gelukkig had ik een arts die veel kennis en ervaring had opgedaan in de VS, waar ze op het gebied van hartchirurgie voorop liepen.’
Blauw hoofd
Over zijn jonge kindertijd kan Hans zich niet veel herinneren. ‘Ik zag een keer op een oude klassenfoto van de kleuterschool dat mijn hoofd er behoorlijk blauw uitzag. En ik weet wel nog dat ik als kind bijna nergens aan mee kon doen vanwege mijn conditie. Bij gym op de basisschool en middelbare school werd ik altijd als laatste gekozen en deed verder nooit aan sport. Ik had weinig vrienden en voelde me vaak een eenling. Mijn ouders voedden me op als normaal kind. Ze hebben mij nooit voorgetrokken op mijn vier broers en drie zussen. We hadden het nooit over mijn hartconditie, nu wordt alles veel meer besproken.’
Weinig last
Sinds de operatie op zijn zevende, heeft Hans nauwelijks last gehad van zijn hart. Hij had een goede baan bij Unilever, een fijn gezinsleven met zijn vrouw en twee gezonde zonen en ging regelmatig sporten. ‘Ik speel al vijftig jaar met veel plezier tafeltennis. Nooit problemen met mijn hart ervaren. Totdat ik een keer met mijn oudere broer ging hardlopen, iets dat we elke zondag samen deden. Ik was tegen de vijftig en had ineens erg last van vermoeidheid. Het bleek dat ik boezemflutter had en die kwam steeds sneller terug. Nadat ik een ablatie heb gehad, heb ik eigenlijk weinig last meer van vermoeidheid.
Niet praten
Hans is van kinds af aan niet gewend om te praten over zijn situatie met andere mensen met een aangeboren hartafwijking. Pas rond zijn vijfenveertigste ontmoette hij lotgenoten met wie hij zijn verhaal kon delen. ‘Ik ging naar de harttrimclub. Daar kwamen mensen met hart- en vaatproblemen bij elkaar om te sporten. De meeste clubgenoten hadden een beroerte gehad en waren aan het revalideren. Die hadden een heel ander verhaal dan ik, dus ik kon het maar tot op zekere hoogte over mijn hartafwijking hebben.’
Statistisch wonder
Vlak voor de Covid-periode werd Hans boventallig verklaard en ging hij met vervroegd pensioen. ‘Dat was niet mijn keuze, maar het was allemaal goed geregeld en ik kreeg meer tijd voor andere dingen. Zo heb ik uitgezocht wat de levensverwachting is van mensen met een aangeboren hartafwijking. Uit verschillende wetenschappelijke publicaties bleek dat 25% van de mensen die vóór 1970 een open hartoperatie heeft gehad het overleeft. Vanaf 2000 is dat 99%. Verder las ik dat 30 – 40% van de mensen met een aangeboren hartafwijking meer dan één operatie nodig heeft. Ik prijs me heel gelukkig dat ik er nog ben en probeer van iedere dag een feest te maken. Zeker als ik weet dat ik statistisch gezien niet veel kans zou hebben.’





